Villa Meezenbroek – In 1950 één dag beroemd dankzij een 1 aprilgrap
Auteur: Harry Lindelauf
Fotografie: Londen Museum

In de serie artikelen over minder bekende Romeinse villa’s in Zuid-Limburg dit keer een villa die één dag beroemd was: Villa Meezenbroek in Heerlen. Op die dag, niet toevallig 1 april 1950, werd de Romeinse villa door het ‘Limburgsch Dagblad’ gepromoveerd tot de ‘grootste Romeinse mijnzetel van het continent’.

De opwinding was 2 april al weer voorbij. Wat bleef is een interessante collectie vondsten. Dat is te danken aan bescheiden en grotere opgravingen tussen 1921 en 1950. De Romeinse aanwezigheid in Meezenbroek blijkt voor het eerst in 1921. De bouwers, van de nieuwe wijk Meezenbroek voor de mijnwerkers, vinden bij graafwerk voor woningen en riolering gemetselde fundamenten. In 1922 en 1933 wordt verder gebouwd en dus opnieuw gegraven en dat levert onder meer dakpannen op, terracotta buizen en een Romeinse munt.
Foto: Gevonden in Meezenbroek: intacte dakpannen met het producenten-stempel CTEC. Dakpannen met dit stempel zijn ook gevonden bij het Romeins badhuis in Heerlen en in Voerendaal, Eijsden, Tongeren, Echt en Cuijk. Mogelijk stond de fabriek in Heerlen of directe omgeving.
1 april-grap: Hoofdkantoor van Romeinse mijnbouw
Niks Romeinse villa, in Meezenbroek zijn de resten gevonden die duidelijk maken dat hier de ‘Societas Carbonis Imperialis’ was gevestigd. De grootste mijnbouwonderneming van de Romeinen en Europa, meldt het ‘Limburgsch Dagblad’ op gezag van een verzonnen archeoloog uit Den Haag. Verder zijn in de Romeinse resten van Meezenbroek volgens de krant steenkool gevonden en een bronzen beeld van Proconsul Hortus Magnus.
Wie in de redactionele opwinding meeging, tuinde die zaterdag in 1950 in een ouderwetse 1 aprilgrap. Elke verwijzing naar de toen actuele mijnbouw was verzonnen. Maar de uitgebreide fundamenten van een Romeinse villa die enkele weken eerder waren uitgegraven, waren dat niet.
Waarom bouwen de Romeinen in dit drassige gebied?
De wijk Meezenbroek ligt laag ten opzichte van de omgeving. Het is er dan ook drassig en in de buurt stromen de Caumerbeek en de Palembergerbeek. De Romeinen bouwen er desondanks toch en hadden bijgevolg last van het water. De opgravingen brengen dan ook volgestorte kelders en ondergelopen, met modder gevulde kanalen voor de heteluchtverwarming aan het licht.
Dan ligt de vraag voor hand: waarom bouwen de Romeinen nou juist hier? Want de natte grond is alleen geschikt als weiland, dus verbouwen van graan is hier niet mogelijk. Dat zagen de Romeinen natuurlijk ook en ze bleken altijd slim in het kiezen van de locaties voor hun boerenbedrijven.
In het waterrijke gebied bouwen was dus geen planningsfout. Het lijkt er op dat de Romeinen het water bewust opzochten. Als dat zo is, en dat zou verder onderzoek moeten uitwijzen, dan ligt de reden voor de hand: de Romeinen hadden het water nodig. Misschien voor een watermolen om graan te malen? Jammer genoeg is er tijdens de opgravingen niets gevonden dat meer helderheid biedt.
Foto: Beeld van de opgraving in 1950.


Bijzonder: Een olielamp in de vorm van een voet
Maar er worden wel interessante voorwerpen opgegraven. Al in 1921 is het goed raak: de archeologen vinden de fundamenten van een 40 meter lang gebouw, gepleisterde muren met rode vlakken en groen, geel en grijszwarte randen, enkele stukken van fresco’s en gemetselde kanalen voor een hete luchtverwarming.
Een jaar later is het weer bingo: 150 meter verder wordt een gebouw gevonden van 20 x 16 meter met 6 vertrekken. En in 1933 wordt op 25 meter afstand van dit gebouw een Romeinse muur van circa 50 centimeter breed bloot gelegd.
Foto: Beeld van de opgraving in 1950.
Uiteindelijk wordt in 1950 opnieuw gegraven omdat er een fundament voor een gashouder moet komen. Nu wordt het hele gebouw uit 1921 uitgegraven: het gaat om een hoofdgebouw met een overdekte galerij. Ook komt een gemetselde kalkstenen watergoot aan het daglicht naar een vijver die in de Romeinse tijd aan de oostkant van het hoofdgebouw ligt.
Naast de fundamenten vinden de archeologen in Meezenbroek veel materiaal: dakpannen, intact of gebroken met onder andere het stempel CTEC (betekenis onbekend, red.), aardewerk, spijkers, terracotta buizen, deel van een bronzen spiegel, een munt van Vespasianus, kapitelen van zuilen, brokstukken van muurschilderingen, oesterschelpen, houtskool, eikenhouten balken. En het meest bijzonder: een olielamp in de vorm van een voet met sandaal.
Foto: In Londen is bij graafwerk voor metro-station Southwark een voet-vormige olielamp gevonden die sterk lijkt op het exemplaar uit Meezenbroek. Ook in Woerden is een exemplaar gevonden. Foto LondonMuseum


Prominent op de radar
Alle Romeinse funderingen zijn na de opgraving weer onder de grond verdwenen. Archeoloog Diederik Habermehl, verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, stelde in 2024 een overzicht samen van alle Romeinse villa’s die tot dusver in Parkstad zijn gevonden (Vruchtbare bodems. Romeinse villa’s in Parkstad, red). De villa Meezenbroek staat bij hem prominent op de radar: ‘Het is een goed opgegraven villa met vondsten zoals bouwmateriaal en muurschilderingen. Er is nooit een definitief onderzoek gepubliceerd. `Meezenbroek is dus een belangrijke vondst die alsnog het nader bestuderen van de architectuur, de inrichting en de decoratie zeer zeker waard is.’
Foto: Brokstukken van kopstukken van de zuilen van het hoofdgebouw.
De serie over minder bekende Romeinse villa’s sluit aan bij de tentoonstelling ‘Romeinse villa’s in Limburg in De Vondst aan het Raadhuisplein in Heerlen. Het is de eerste expositie van het Romeins Museum dat het Thermenmuseum opvolgt.
Eerder in deze serie: ‘Golf op het gras, Romeinse historie-topper er onder.’